De grauwe klauwier, de ‘ Zorro’ onder de vogels en ambassadeur van natuurherstel.

De grauwe klauwier is een 17 cm grote zangvogel, met het aanzien van een kleine roofvogel. Dit komt omdat de bovensnavel haakvormig over de ondersnavel gebogen is zoals bij roofvogels. Ze worden vaak opgemerkt als ze uitkijken over het landschap vanuit de top van een struik. De mannetjes hebben een opvallend getekend uiterlijk, waarin vooral het zwarte masker, de grijze kop en de roodbruine rug opvallen. Vrouwtjes en jonge vogels hebben een weinig opvallend, bruin verenkleed. De grauwe klauwier bewoont allerlei open leefgebieden met voldoende zitposten en grote insecten zoals in het Schulensbroek. Ze maken vanuit een struik uitvallen naar allerlei insecten die ze in het vizier krijgen. Klauwieren staan erom bekend kleine voedselvoorraden aan te leggen door prooien aan doorns of prikkeldraad te spietsen. Dit spietsen helpt ook bij het in stukken trekken van grote prooien, zoals hagedissen en muizen. In tegenstelling tot de meeste zangvogels heeft de klauwier grote insecten nodig. Een klauwier kan telkens maar 1 prooi naar zijn nestjongen brengen. Wanneer deze prooien te klein zijn, krijgen de jongen te weinig voedsel binnen. Als nestplaats heeft de grauwe klauwier graag een dichte struik of takkenbos, waarin hij een nest bouwt van gras en mos. In het nest worden 3 tot 7 eieren gelegd. Na 14 dagen komen de jongen uit het ei en na ongeveer 2 weken gevoerd te zijn op het nest, vliegen ze uit. Ook hierna voeren de ouders ze nog 3 tot 5 weken in het broedgebied. Eind juli vertrekken de eerste vogels alweer naar hun overwinteringsgebieden in de savannen van zuidelijk Afrika. In mei komen de klauwieren terug om zich bij ons voort te planten. Ze maken gebruik van de piek in het insectenleven in het voorjaar en tijdens de zomer.

De grauwe klauwier is de afgelopen eeuw zeldzaam geworden in grote delen van België, maar recent nemen de aantallen weer licht toe en duikt hij terug op in gebieden waar hij al jaren weg was. Naast een opvallend uiterlijk en gedrag, heeft de grauwe klauwier een belangrijke indicatorfunctie voor natuurkwaliteit. Hij is namelijk afhankelijk van gevarieerde leefgebieden die rijk zijn aan prooidieren. Gegevens over het succes of verdwijnen van deze vogelsoort zijn waardevol voor de bescherming van veel andere dier- en plantensoorten. Voor natuurbeheer en –beleid is het belangrijk om onderscheid te kunnen maken tussen natuurlijke processen en de gevolgen van door mensen veroorzaakte aantastingen en klimaatverandering. Bij de grauwe klauwier lopen beide processen door elkaar, zowel bij de achteruitgang van de soort als bij het voorzichtig herstel van de laatste jaren. Biotoopvereisten: kleinschalig landschap met:
- hagen en houtkanten;
- ruigtezones met bramen;
- schrale graslanden en bermen;
- snel opwarmende veldwegen;
- waterpartijen.

Deze hagen en houtkanten bestaan hoofdzakelijk uit meidoorn, sleedoorn, braam en roos. De houtkanten moeten regelmatig beheerd worden, anders groeien ze uiteindelijk uit tot bomenrijen. Het beheer bestaat dan ook best uit een cyclisch hakhoutbeheer met een rotatie van 7 jaar. Interessant is om hier en daar hogere takken te laten staan, die je ringt, zodanig dat deze takken afsterven. Op deze manier creëer je de ideale uitkijkplaatsen voor de grauwe klauwier. De zit- en uitkijkplaatsen dienen te variëren in hoogte van 1-1,5 m tot 2-4 m hoogte. De hogere takken worden vooral gebruikt als uitkijkpost om de nestplaats te bewaken, de lagere als uitvalsbasis voor de jacht. Deze lagere (1-2 m hoge) ‘jacht’ plaatsen moeten min. 20 m tot max. 40 m van het nest verwijderd zijn. Een regel is om de 12 m te zorgen voor de lagere (1-2 m hoge) ‘jacht ’plaatsen en om de 20 m voor de hogere zitplaatsen. Echt hoge bomen lijken eerder negatief te zijn voor de grauwe klauwier. Ze laten minder zon toe op de bodem, en verhogen het gevaar voor predatie door kraaien en eksters. Wat de doornige struiken betreft: deze zijn laag bij de grond best heel dicht. Hierin maakt de grauwe klauwier zijn nest. Een hogere nestplaats verhoogt het risico op predatie door kraaiachtigen. In een grasland is het belangrijk dat er structuurvariatie is. Een combinatie van hogere en lagere vegetatie levert de meeste insecten. De hogere vegetatie levert de insecten aan die het gemakkelijkst opgespoord kunnen worden in de lagere vegetatie. Deze lagere vegetatie warmt ook sneller op (microklimaat), wat voor insecten (= voedsel voor de grauwe klauwier) belangrijk is. In grote weilanden kan kleinschaligheid gecreëerd worden door stukken uit te rasteren waar ruigtezones met bramen kunnen groeien. Ook kan men hier takkenhopen aanleggen met veel dunne takken (dus niet te dicht opeen) of een soort wal met dode takken. Waterpartijen zijn belangrijk omdat ze grote insecten, zoals libellen, aantrekken. Ook onverharde, snel opwarmende veldwegen trekken veel insecten aan.

Paul Peeters
Literatuurbronnen: De grauwe klauwier, ambassadeur voor natuurherstel, Stichting Bergerveen, KNNV Uitgeverij; Syllabus studiedag grauwe klauwier van 22 juni 2015, georganiseerd door Limburgs landschap vzw; ANWB Vogelgids van Europa.